Skip Navigation Links

De sobere weldoener met een enorme impact

Een deftige dertiger uit Duitsland komt op een dag in april met de trein in Utrecht aan. Het is het jaar 1896 en de man werkt als klerk (administratief medewerker) bij de Arnhemse vestiging van de Duitse kolenhandel Jean Balthazar. Honderdtwintig jaar later is zijn naam door het K.F. Hein Fonds onlosmakelijk verbonden met de stad. Hoe een Duitse arbeiderszoon een enorme nalatenschap opbouwde in Utrecht en omgeving.

Karl Friedrich Hein wordt geboren op 1 april 1867 in het Duitse Herne. Hij begint zijn carrière op jonge leeftijd in de steenkolenindustrie. In zijn jeugd nemen de mijnbouw en industrialisering een grote vlucht en hij komt uiteindelijk terecht in Arnhem, een belangrijk expeditieknooppunt voor steenkolen. Drie jaar later begint Hein aan een nieuw avontuur in Utrecht en zou daar – ondanks ambitie om naar Frankrijk of Engeland te vertrekken – zijn hele leven blijven.
Hein ziet Nederland aanvankelijk als saai, maar niet ver van zijn geboorteplaats in het Ruhrgebied bouwt hij een bloeiende carrière op. De Duitser komt terecht bij de Steenkolen Handelsvereeniging (SHV) op de Catharijnesingel 45 en woont daar ook, tot hij in 1907 verhuist naar Bilthoven. Op zijn 54e vertrekt hij als directeur van de SHV 'met het oog op den ongunstigen toestand zijner zenuwen', maar blijft als commissaris aan het bedrijf verbonden.

portret K.F. Hein als dertiger

Bestuurslid van het K.F. Hein Fonds Hein van Beuningen vertelt: “Ik ken hem alleen uit de overlevering, maar mijn overgrootvader en Hein waren heel goede vrienden. Het was een ingetogen mens dat keihard werkte. Iemand van sterke principes en een man naar mijn hart.” Als SHV-directeur en later als commissaris behoort Hein tot de topverdieners in Nederland. Van Beuningen: “Hij was kinderloos en vrij sober, maar gaf bij leven ook al veel weg aan goede doelen.” Hein vindt dat luxe niet te veel moet worden getoond, ‘omdat dit kwaad bloed kan zetten bij de mensen die niets bezitten’.

Sober en teruggetrokken

Karl Friedrich Hein blijft zijn hele leven vrijgezel en leidt een rustig bestaan. Nadat hij zich terugtrekt als directeur van de SHV houdt hij zich steeds meer op in zijn woning. Gasten ontvangt hij nauwelijks, maar op zijn eigen sportterrein aan de Van Dijcklaan in Bilthoven zijn enkele vrienden welkom. Eén van die vrienden is John Wells (Jack) van Beuningen, de overgrootvader van bestuurslid Van Beuningen. “Hein was ook een sportieve man. Als hij niet werkte, was hij wel bezig met paardrijden.” Hij is dagelijks op zijn sportveld te vinden. Naast paardrijden speelt hij ook graag tennis, golf, biljart en oefent hij in speer- en discuswerpen op het ruim drie hectare grote recreatieterrein.

portret K.F. Hein te paard

Gezien zijn levensstijl houdt Hein er geen grote vriendenschare op na. Wel steekt hij tijd en energie in contact met zijn familie. Zowel persoonlijk als financieel is de weldoener sterk betrokken bij hun welzijn. Daarnaast steunt hij dierenwelzijn, sport en muziek, en verstrekt hij soms leningen aan particulieren.

K.F. Hein met zijn familie

Rond 1932 begint hij na te denken over zijn nalatenschap; hij is altijd zuinig geweest en heeft inmiddels een aardig kapitaal opgebouwd. Om ruzie om zijn erfenis te voorkomen, besluit hij zijn vermogen onder te brengen in een stichting om geld uit te keren aan familieleden en goede doelen. Op 11 april 1938 is de K.F. Hein Stichting een feit.

Oorlogsjaren

Als Duitser distantieert Hein zich fel van de ontwikkelingen in zijn vaderland rond de opkomst van het nationaalsocialisme. Hij was verklaard anti-Hitler en laat zich in 1936 naturaliseren tot Nederlander omdat het regime in Duitsland hem zo tegenstaat. De oorlog heeft geen invloed op de vrijgevigheid van Hein, maar heeft persoonlijk wel grote gevolgen voor de geboren Duitser.

In de laatste oorlogsjaren lijdt Hein net als velen in Nederland honger. “Hij had wel genoeg geld, maar weigerde de zwarte markt op te gaan. Hij stond dus met rantsoenbonnen in de rij voor een maaltje”, vertelt Van Beuningen. Aan het eind van de oorlog wordt zijn woonplaats een garnizoensplaats van de bezetter en zijn huis aan de Prins Hendriklaan ingenomen door een Duitse kolonel. Hij vertrekt samen met zijn huishoudster Marie Cornelisse naar een ander pand in Bilthoven en zou daar zijn laatste maanden slijten. Inmiddels heeft Hein steeds vaker last van duizelingen en van zijn prostaat.

Hein komt plotseling om het leven op 27 maart 1945. Iets meer dan een maand daarvoor staat hij te praten met een Duitse officier en wordt geschept door een wagen van de Wehrmacht. In het Diaconessenhuis in Utrecht wordt hij behandeld, maar het mag niet baten. Heins lichaam wordt begraven op Den en Rust in Bilthoven.

Voortleven door de stichting

Hein heeft een groot vermogen opgebouwd tijdens zijn leven: bij de SHV en later als commissaris en aandeelhouder van de besloten beleggingsorganisatie Unitas. Andere inkomsten komen voort uit aandelen en obligaties, en zorgen voor een constante toename van zijn bezit. Uiteindelijk wordt de K. F. Hein Stichting in 1938 opgericht. Het dient allereerst familiebelang en daarnaast ondersteuning van liefdadigheid. De eerste jaren gebeurt er maar weinig met de stichting tot de dood van Hein in ‘45, die kort daarop wordt gevolgd door de bevrijding van Nederland. De twee overgebleven bestuursleden en vrienden van Hein, Nicolaas Janssen en Jack van Beuningen, doen direct een aantal politiek correcte giften.

“Karl Friedrich Hein had mijn overgrootvader Jack in het bestuur gevraagd en die heeft ook tijdens de oorlog zijn belangen behartigd. Jack begreep in welke geest de stichting voortgezet moest worden. Als familie voelen wij ons nog steeds erg verbonden met het gedachtegoed van Hein en de stichting.”

Tijdsgeest en modernisering

De stichting is zuinig in de eerste naoorlogse jaren van wederopbouw in Nederland. De jaren vijftig brengen echter geleidelijk economische groei en de stichting doet steeds meer en grotere schenkingen. “De doelstelling om instellingen die het nodig hebben te ondersteunen is er nog steeds”, zegt Van Beuningen. “Tot op de dag van vandaag geven wij aan sociaal culturele instellingen, met name in de regio Utrecht.“

Daarnaast wordt een concrete doelgroep geformuleerd door het bestuur van de stichting: ‘instellingen werkzaam op het gebied van Jeugdzorg, Volksgezondheid, Cultuur en/of Volksontwikkeling’. Terwijl ook Maatschappelijk Werk, Natuurbehoud, en Monumentenzorg giften ontvangen van de stichting. In 1978 stelt de stichting de statuten opnieuw vast en kunnen ook ‘natuurlijke personen’ worden gesteund, wordt het maximaal te schenken bedrag vergroot en kan de stichting ook leningen verstrekken. Intussen wordt het vermogen van de stichting actief belegd.

Van Beuningen vertelt dat ook natuurdoelen steeds vaker giften krijgen van de stichting. “Dat doen we kleinschalig binnen de regio Utrecht door particuliere natuurorganisaties te ondersteunen. Juist wat kleinere organisaties willen we helpen bij hun werk. Denk aan de Oude Hortus, de botanische tuin van de Universiteit van Utrecht. Die hebben we met een aantal instellingen gered.”

Vanaf eind jaren tachtig moderniseert de K.F. Hein Stichting van een charitatieve organisatie tot een professioneel georganiseerde, zakelijke en transparante organisatie met een proactief karakter. “De stichting is van een bescheiden naar een flink vermogen gegroeid en ook de impact en de verantwoordelijkheid die we voelen groeit daarmee. Daar past bij dat er professionele ondersteuning wordt gegeven”, zegt Van Beuningen. “Waar nodig ondersteunen we individuen en organisaties bij het inrichten van de werkzaamheden.” Niet alleen geld, maar ook kennis wordt aangeboden om hun positie in de markt te versterken. In de laatste jaren wordt rond de twee miljoen euro uitgekeerd aan organisaties en individuen. “Stichting Noodhulp krijgt bijvoorbeeld een hoop geld, maar we blijven ook nadrukkelijk de kleine initiatieven steunen.”

De stichting treedt inmiddels verder uit de relatieve anonimiteit en houdt de gedachte aan de grondlegger, een sobere weldoener met een enorme impact, levend.

Dit artikel verscheen in april 2017 in DUIC in de bijlage 150 jaar Karl Friedrich Hein