Frans Ottink: “Ik kijk naar wat het materiaal te bieden heeft”

Keramist Frans Ottink, werkzaam en woonachtig in Amersfoort, begon zijn werkende leven als docent handvaardigheid. “Ik had eerst een lerarenopleiding gedaan en heb daarna anderhalf jaar les gegeven aan een middelbare school. Maar eigenlijk vond ik dat vreselijk om te doen. Veel wat je leert tijdens de opleiding over vormen en beelden maken, kan je niet kwijt aan kinderen. Ik heb me toen ingeschreven bij de afdeling design aan de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem. Daar werd ik gegrepen door porselein. En hoewel ik daarvoor al veel in hout beeld had gehakt, veranderde dat op de opleiding totaal en ging ik met porselein aan de slag.”

portret Frans Ottink in zijn atelier
Foto: Rob Versluys

Na de studie verliep het in de praktijk zeker niet slecht. “Ik had al een kleine werkplaats met een oven zodat ik niet in de situatie verviel dat ik niets meer kon doen. Samen met drie eveneens net afgestudeerde vormgevers hebben we enkele kleine tentoonstellingen georganiseerd in diverse galeries. En zo maak je eerst één theepot, maar al gauw werden dat er al drie of vijf of nog meer. Het gebruikskeramiek dat ik maak bleek men graag te willen kopen.”

Toch waren de eerste jaren niet altijd even gemakkelijk. “Het eerste jaar kreeg ik een startstipendium zodat financieel alles goed geregeld was. Daarna heb ik allerlei baantjes gehad om te kunnen blijven werken als keramist. Dat heeft ongeveer vier tot vijf jaar geduurd maar het lukte allemaal niet erg. Ik heb zelfs het idee gehad om er mee te stoppen en ‘serieus’ werk te gaan doen. Maar op het juiste moment kreeg ik een aantal grote opdrachten en projecten, waardoor ik wel van mijn eigen werk kon leven.”

Echte belangrijke veranderingen heeft Ottink in zijn werkende leven niet gekend. “Ik merk wel dat ik steeds bedrevener ben geworden, voor bepaalde werkzaamheden draai ik mijn hand niet om. En ik let steeds meer op dat wat ik maak ook gemakkelijk produceerbaar is, het moet commercieel gezien wel in verhouding staan tot de prijs. De omslag dat ik van mijn werk kon leven, heeft te maken met een schaalvergroting in aantallen. Opeens kwamen er opdrachten binnen voor grotere oplages. Daarnaast kreeg ik betere opdrachtgevers zoals de K.F. Hein Stichting waarvoor ik een uitgebreid servies heb gemaakt. Het aandeel van eigen vrij werk is de laatste jaren steeds kleiner geworden. Opdrachten en vrij werk bijten elkaar ook, je hebt voor je vrije werk soms heel weinig tijd. Maar als ik er tijd voor heb, maak ik nog steeds bekers en vazen maar probeer daarin wel te experimenteren met nieuwe vormen.”

“Inspiratie moet ik vaak opzoeken. Ik kan overal ideeën krijgen maar meestal moet ik er voor gaan zitten en er aan werken. Het kan bij mij sfeer zijn of een woord of een toepassing waarop je reageert. Inspiratie groeit doordat je er aan werkt. Het heeft iets mystieks maar ik ben er eigenlijk veel te nuchter voor. Bij  mij is inspiratie vooral van belang in het eerste stuk, het ontwerp. Daarna wordt het al snel veel ambacht en techniek. Wel ben ik een groot voorstander van experimenteren. Je kan zo geïnspireerd worden tot het maken van nieuwe producten voor een ander project.”

servies voor het K.F. Hein Fonds door Frans Ottink
Foto: Rob Versluys

 

“Een hoogtepunt is voor mij wel het monumentje dat ik gemaakt heb voor mijn overleden vader. Daar heb ik zes jaar over nagedacht en er een aantal maanden aan gewerkt. De zes kop en schotels die het zijn geworden zijn in feite mijn broers, zussen en ikzelf en zijn tevens een verbeelding van alles wat mij op dat moment bezig hield. Oplossingen in techniek, vormgeving maar ook praktisch gezien, alles komt daar in voor. De zes kop en schotels staan allemaal op een andere manier op of in het schoteltje, sommige zijn heel geometrisch, andere zijn veel plastischer en intuïtief ontstaan, wat weer te maken heeft met de karakters van mijn broers en zussen. Ik heb er veel aan gehad, daarna was ik in de vormgeving veel vrijer dan daarvoor. Misschien zou je toch kunnen zeggen dat het soort verandering is geweest. Voor dat project werkte ik veel gestructureerder en geometrischer dan ik nu doe en was ik bezig om te zorgen dat het materiaal precies deed wat ik wil, terwijl ik nu meer kijk wat er kan gebeuren, wat heeft het materiaal te bieden. De laatste tijd is ook tekst een grote rol gaan spelen.”

Exposities heeft Frans Ottink niet vaak. “Ik doe niet meer zo vaak mee aan tentoonstellingen, het is voor mij veel te veel gedoe. Alleen in Delft is een galerie met permanent werk van me. In bedrijfscollecties is mijn werk ook niet te vinden, wel in Museum Boymans van Beuningen, Stedelijk Museum Amsterdam en het Kröller-Müller Museum. Dat heeft me zeker naamsbekendheid opgeleverd, vooral ook omdat men in die verschillende musea ook werk van me kon kopen.”

“In de toekomst liggen hopelijk nog een aantal dingen besloten. Een overzichtstentoonstelling zou ik wel graag willen. Producten uit mijn begintijd zijn het zeker waard om nog eens tentoon te worden gesteld. Waar ik nu naar probeer te streven is meer tijd vrij te maken om aan vrij werk te besteden. Ik werk nu toch vooral aan opdrachten. Er zijn ideeën genoeg alleen moet ik er de tijd nog voor vinden om die uit te werken. De opdracht voor het servies van het K.F. Hein Fonds is wel een goede combinatie geweest. Het was uiteraard een opdracht maar het was heel prettig dat ik heel veel vrijheid heb gekregen om alles vorm te geven, het proces te bespreken, enzovoort. En het is een mooie opdracht geworden, er zitten echt mooie stukken tussen. Ik probeer me wel altijd te verplaatsen in de opdrachtgever. Een beeldend kunstenaar doet dat vaak minder, maar voor mij is het van belang dat de persoon die mijn werk gaat gebruiken er ook tevreden mee is.”

Dit interview verscheen in de publicatie over de beeldende kunstcollectie van de K.F. Hein Stichting in 2009. Auteurs: Jan Jaap Zwitser en Suzanna de Sitter.